Wat zijn boventonen?

Boventoonzang bestaat uit een zeer verfijnde articulatie van klinkers, waardoor de boventonen hoorbaar worden als quasi zelfstandige fluittonen. Afhankelijk van de mondstand gaan er bepaalde boventonen meeklinken, die we automatisch als vocalen (klinkers) herkennen.
Als je op één toon bijvoorbeeld de klinker u zingt, kun je al vrij gemakkelijk een wat scherpe fluittoon als boventoon in deze klank kunnen ontdekken. Verander je deze u heel langzaam in een oe, dan zal je horen dat de klank donkerder wordt en de boventonen dus lager. Ga je langzaam van de u naar de i, dan merk je het tegenovergestelde. In principe is het mogelijk om bij alle klinkers boventonen te horen.
Wanneer er teksten gereciteerd worden op één toon of op een eenvoudige melodie, dan klinken er altijd boventonen mee, bijvoorbeeld in Gregoriaanse zang of bij het zingen van mantra’s. Ook in enkele etnische tradities is boventoonzang als muziek aanwezig, zoals bij de Mongoliërs en de Tuva’s in Siberië.
In Europa bestaat muziek voor boventonen sinds 1968, toen Karl-Heinz Stockhausen ‘Stimmung’ componeerde. Michael Vetter leerde bij Stockhausen het verschijnsel van de boventonen kennen en ontwikkelde een aantal boventoontechnieken die voor de Europese stem geschikt zijn.

DE BOVENTOONREEKS
De boventonen kennen een natuurkundige structuur die heel anders is dan ons gehoor doet vermoeden. De reeks van frequenties ziet eruit als een tafel van vermenigvuldiging: als de grondtoon een frequentie van 100 Hertz heeft, dan zijn alle veelvouden van 100 Hz potentieel als boventoon hoorbaar. Stel dat de grondtoon, nummer 1, een frequentie heeft van 100 Hz, dan heeft nummer 2 een frequentie van 200 Hz, enzovoort. De afstand tussen elkaar opvolgende boventonen is in dit geval steeds 100 Hz. Boventoon nummer 5 heeft een frequentie van 500 Hz, nummer 16 heeft een frequentie van 1600 Hz.

 

c c g c e g bes c
100 200 300 400 500 600 700 800

Het oor neemt deze afstanden niet evenredig waar. Voor ons gehoor klinken octaven (c-c-c-c) als evenredige afstanden, terwijl er echter sprake is van frequentieverdubbelingen; het octaaf van 100 Hz is 200 Hz maar het octaaf van 200 Hz is 400 Hz. In de boventoonreeks hoort het oor per hoger octaaf steeds meer boventonen, dus de intervallen tussen de boventonen worden steeds kleiner. Dit is te zien op blz. 00 met de boventoonreeks in notenschrift. Vanaf de onderste notenbalk zie je hoeveel boventonen er in een octaaf gaan. Het aantal boventonen wordt steeds groter; in het eerste boventoon-octaaf (van nummer 1 naar nummer 2) vind je geen boventonen; in het tweede octaaf (van 2 naar 4) vind je boventoon nummer 3; in het derde octaaf (van 4 naar 8) vind je drie boventonen, enzovoort.
Ieder hoger interval is kleiner dan het voorafgaande en ieder hoger octaaf is verder opgedeeld in boventonen dan het vorige. Dit maakt de boventoonreeks tot een toonladder die afwijkt van alle andere toonladders. Immers, zij herhalen in ieder octaaf dezelfde tonen.

Publicaties van Borg Diem Groeneveld:
Stem en Boventonen
Boventonen – een compacte methode om te leren boventoonzingen